Rb. Zeeland-West-Brabant 7 april 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:1832
Naheffingsaanslagen loonheffingen 2014, 2015, 2016 en 2017. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de premiekorting in de zin van hoofdstuk 3, afdeling 6, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) tot het juiste bedrag in aanmerking genomen. De rechtbank concludeert dat belanghebbende en de werknemers met parttime arbeidsovereenkomsten met een minimum aantal gegarandeerde arbeidsuren verplichtingen over en weer zijn aangegaan voor een vaste arbeidsduur. Hieruit volgt dat de vermindering van de premiekorting op grond van artikel 50c, eerste lid, van de Wfsv berekend dient te worden op basis van de overeengekomen vaste arbeidsduur en niet, zoals belanghebbende voorstond, op basis van de daadwerkelijk verloonde uren. Verder concludeert de rechtbank dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit geval niet slaagt, omdat werknemers met een nulurencontract of een min-maxcontract en werknemers met een parttime arbeidsovereenkomst met een minimum aantal gegarandeerde arbeidsuren rechtens en feitelijk geen gelijke gevallen zijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl