Rb. Zeeland-West-Brabant 21 oktober 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5307
Belanghebbende heeft in verband met haar verkoop en levering van een paard, in haar aangifte omzetbelasting het nultarief geclaimd, omdat, zoals zij primair stelt, het paard in verband met haar levering is uitgevoerd naar de Verenigde Staten. De inspecteur heeft het nultarief geweigerd, en een naheffingsaanslag opgelegd. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende met hetgeen zij heeft overgelegd en verklaard niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tot aan het moment van uitvoer de macht om als eigenaar over het paard te beschikken bezat en aldus de uitvoer in het kader van haar levering heeft plaatsgevonden. Subsidiair voert belanghebbende aan dat haar levering van het paard niet in Nederland heeft plaatsgevonden maar in België. Gelet op het gegeven oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar levering een levering betreft die verband houdt met de uitvoer van het paard, oordeelt de rechtbank dat de stelling dat haar levering in België heeft plaatsgevonden omdat het vervoer naar Schiphol daar is aangevangen, evenmin slaagt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de levering niet in Nederland heeft plaatsgevonden. De naheffingsaanslag is dus terecht opgelegd. Voor dat geval heeft belanghebbende betoogd dat de nageheven omzetbelasting tot een te hoog bedrag is vastgesteld, omdat dat zij de omzetbelasting niet op haar afnemer kan verhalen en dat de omzetbelasting geacht dient te worden in de gefactureerde omzet te zijn begrepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de stelling van belanghebbende dat zij de omzetbelasting niet op haar afnemer kan verhalen, onvoldoende weersproken. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden tot (19/119 x € 700.000 is) € 111.764.
De uitspraak op rechtspraak.nl