Rb. Zeeland-West-Brabant 5 augustus 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:4008

Dividendbelasting / internationaal, dividendbelastingzaken, drukvergelijking, vergelijking met een in Nederland gevestigd pensioenlichaam Belanghebbende doet met een beroep op het unierecht een verzoek om teruggaaf van dividendbelasting. In het kader van een vergelijking met een belast Nederlands lichaam stelt belanghebbende dat tegenover de waardeaangroei i.v.m door haar ontvangen dividenden een even grote stijging van haar verplichting aan haar polishouders staat. Die verplichting moet volgens haar in het kader van de drukvergelijking worden aangemerkt als financieringslast. De rechtbank overweegt dat in het arrest van het HvJ Société Générale SA is overwogen dat in het geval van inkomsten in de vorm van dividenden slechts sprake is van daarmee samenhangende kosten indien de kosten samenhangen met de inning van die dividenden. De aangroei van de verplichting aan polishouders kan niet als zodanig worden aangemerkt. De door belanghebbende aangehaalde arresten geven geen aanleiding om te concluderen dat het arrest Société Générale SA onjuist is of dat het HvJ EU daarvan is teruggekomen. Voor dat geval is niet in geschil dat geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting op basis van drukvergelijking. In het kader van de vergelijking met een vrijgesteld Nederlands pensioenlichaam bestrijdt belanghebbende niet dat niet is voldaan aan de zogenoemde werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis en zij bestrijdt evenmin dat zij niet voldoet aan een deel van de voorwaarden om te worden aangemerkt als kwalificerend pensioenlichaam. De rechtbank overweegt dat het hier gaat om een geval waarin op basis van de wet geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting. Het Unierecht kan dan alleen meebrengen dat toch recht op teruggaaf bestaat indien belanghebbende voldoende vergelijkbaar is met een in Nederland gevestigd lichaam dat wel recht heeft op teruggaaf. De fiscale behandeling in de woonstaat is daarbij niet relevant. Van de werkzaamhedeneis en de winstbestemmingseis kan niet worden gezegd dat deze per definitie of de facto eigen zijn aan de nationale markt. Ook het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel, de stelling dat het vrije verkeer van werknemers is geschonden, de stelling dat de non-discriminatiebepaling van artikel 23 van het belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk is geschonden en de stelling dat het nieuwe belastingverdrag met het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 18 van het Verdrag van Wenen anticipatieve werking heeft, falen. Beroepen ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken