Rb. Zeeland-West-Brabant 21 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:234
IB/PVV / Artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Kwijtscheldingswinstvrijstelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende met hetgeen hij heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat zijn negatieve kapitaal in de maatschap is kwijtgescholden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, conform belanghebbendes eigen voorstel, zijn aandeel in de maatschap door de enige overgebleven maat is overgenomen voor een bedrag gelijk aan zijn negatieve kapitaal. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van het prijsgeven van een vordering. Gelet hierop behoeft de vraag of de vordering al dan niet voor verwezenlijking vatbaar was geen behandeling.
De uitspraak op rechtspraak.nl