Rb. Zeeland-West-Brabant 17 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1525

Artikel 28b en artikel 28d van de Wet OB, naheffingsaanslagen omzetbelasting 2013 tot en met 2015. Beroepen gegrond verklaart omdat de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2014 en 2016 te hoog zijn vastgesteld en omdat de boetes worden gematigd vanwege de door belanghebbende aangevoerde overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt verder dat de inspecteur de door belanghebbende verschuldigde omzetbelasting mocht berekenen op basis van de individuele methode binnen de margeregeling, in plaats van de op belanghebbende van toepassing zijnde globalisatieregeling. Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de verschuldigde belasting is berekend op basis van gegevens van belanghebbende zelf, dat belanghebbende geen financiële administratie bijhield op basis waarvan de belastingplicht en de hoogte van de verschuldigde belasting kon worden gecontroleerd en dat belanghebbende niet heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt dat toepassing van de individuele methode heeft geleid tot een te hoog bedrag aan nageheven omzetbelasting. Ten slotte oordeelt de rechtbank dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van een hoger bedrag aan voorbelasting dan waarmee bij de naheffingsaanslagen rekening is gehouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken