Rb. Zeeland-West-Brabant 31 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6779
Bestuurdersaansprakelijkheid, artikel 36 Invorderingswet 1990. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting die zijn opgelegd aan de BV waarvan hij bestuurder is. De ontvanger was vanaf 11 mei 2012 op de hoogte van de betalingsonmacht van de BV. Voor de belastingschulden waarvoor gemeld had moeten worden voorafgaand aan 11 mei 2012 geldt het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur voor zover gesteld, in dit geval voor de naheffingsaanslagen loonheffing over de tijdvakken november 2011 tot en met februari 2012. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende daarvoor terecht aansprakelijk is gesteld. Voorts heeft de ontvanger aannemelijk gemaakt dat er vanaf mei 2015 sprake was van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Daardoor is belanghebbende terecht aansprakelijk gesteld voor belastingschulden die zien op de tijdvakken vanaf maart 2015, nu dat tijdvak het oudste tijdvak was waarvoor geldt dat het uiterste moment van de melding binnen de periode vanaf mei 2015 valt.”
De uitspraak op rechtspraak.nl