Rb. Zeeland-West-Brabant 31 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6778

Bestuurdersaansprakelijkheid, artikel 36 Invorderingswet 1990, artikel 7 lid 2 van het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990. Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting die zijn opgelegd aan de BV waarvan hij bestuurder is. De ontvanger was vanaf 11 mei 2012 op de hoogte van de betalingsonmacht van de BV. Voor de belastingschulden waarvoor gemeld had moeten worden voorafgaand aan 11 mei 2012 geldt het wettelijk vermoeden van kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende terecht voor deze belastingschulden aansprakelijk is gesteld. Ten aanzien van de naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2011 oordeelt de rechtbank dat de ontvanger aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van grove schuld, waardoor er niet meer rechtsgeldig gemeld kon worden. Voor de overige belastingschulden heeft de ontvanger aannemelijk gemaakt dat er sprake is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Beroep op disculpatie slaagt niet, de enkele stelling dat belanghebbende zich afzijdig hield bij het dagelijks bestuur is daarvoor onvoldoende.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken