Rb. Zeeland-West-Brabant 12 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5627
Artikel 37e Wet OB Omdat belanghebbende in Nederland woont wordt hij geacht zijn leveringen in Nederland te verrichten tenzij hij aan de hand van boeken en bescheiden het tegendeel aantoont. Aan de door belanghebbende overgelegde stukken kent de rechtbank geen bewijskracht toe nu belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd tegenover de door de inspecteur ingebrachte punten in verband met de authenticiteit van de overgelegde stukken. De naheffingsaanslagen zijn dan terecht opgelegd. Wel vermindert de rechtbank het belastingbedrag omdat zij ervan uitgaat dat belanghebbende de nageheven OB niet alsnog kan factureren. Nu de rechtbank aannemelijk acht dat de goederen na aankoop naar Nederland zijn vervoerd en de leveringen in Nederland hebben plaatsgevonden had belanghebbende in Nederland OB moeten aangeven en afdragen. Dat is niet gebeurd en dat maakt dat minstens sprake is van grove schuld. Wel geeft de duur van de procedure aanleiding voor matiging van de vergrijpboetes. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2020 mag de rechtbank niet beoordelen of de ontvanger terecht tot versnelde invordering is overgegaan. De betekeningskosten zijn terecht in rekening gebracht.
De uitspraak op rechtspraak.nl