Rb. Zeeland-West-Brabant 4 november 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5413
Inkomstenbelasting / resultaat uit overige werkzaamheden, formele geschilpunten, immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt dat de inspecteur bij belanghebbende ten onrechte een ROW-correctie heeft toegepast, omdat de inspecteur niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast. Ten aanzien van het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat als aanvangsmoment van de redelijke termijn heeft te gelden het moment van indiening van het verzoek tot herziening van de voorlopige aanslagen IB/PVV en Zvw. De rechtbank acht dit aanvangsmoment in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad – waarin als uitgangspunt geldt dat het aanvangsmoment van de redelijke termijn het moment van ontvangst van bezwaar is – omdat de rechtbank, mede gelet op een conclusie van A-G Wattel, ervan uitgaat dat deze jurisprudentie als achtergrond de jurisprudentie van het EHRM heeft. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat de redelijke termijn eerder aanvangt dan het moment waarop het geschil aanhangig wordt gemaakt bij een rechter indien een (wettelijk verplichte) “voorprocedure” moet worden doorlopen. In het onderhavige geval moest belanghebbende eerst de verzoekprocedure om herziening van de voorlopige aanslagen en de bezwaarfase tegen de (afwijzende) beschikking op het verzoek om herziening van de voorlopige aanslagen, zijnde (wettelijk verplichte) voorprocedures, doorlopen, voordat hij beroep kon instellen bij een bestuursrechter.
De uitspraak op rechtspraak.nl