Rb. Zeeland-West-Brabant 22 oktober 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:5222

De Hoge Raad heeft in 2017 (ECLI:NL:HR:2017:3081) een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2016:4487) vernietigd, waarin de CRvB heeft geoordeeld dat artikel 3, tweede lid, onder a van de Participatiewet buiten toepassing gelaten moet worden, voor zover de uitzondering wegens het bestaan van zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad. Dit vanwege strijd met het discriminatieverbod. De Hoge Raad is van oordeel dat de CRvB terecht heeft geoordeeld dat sprake is van een verschil in behandeling dat in strijd is met het verbod van discriminatie, maar dat het rechtsherstel primair dient te worden overgelaten aan de wetgever. Deze discriminatie dient te worden opgeheven door het schrappen van genoemde uitzondering uit de wet. Voor ingrijpen van de rechter kan pas aanleiding bestaan indien de wetgever na kennisneming van dit arrest nalaat zelf een regeling te treffen die de discriminatie opheft. De rechtbank concludeert thans dat het wetsvoorstel waarmee de wetgever heeft geprobeerd navolging te geven aan het arrest van de Hoge Raad is gestrand bij de Eerste Kamer en dat het wetgevingstraject inmiddels is beëindigd. In deze omstandigheid ziet de rechtbank aanleiding om, zoals de CRvB reeds eerder deed, artikel 3, tweede lid, onder a van de Participatiewet buiten toepassing te laten, voor zover de uitzondering wegens het bestaan van zorgbehoefte is beperkt tot bloedverwanten in de tweede graad. Gelet op de intensieve zorgbehoefte van belanghebbende, die onder meer blijkt uit het feit dat zij na vertrek uit de woning met een WMO-indicatie voor beschermd wonen is opgenomen in een RIBW-instelling, was er geen sprake van een gezamenlijke huishouding. Het beroep is gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken