Rb. Zeeland-West-Brabant 12 maart 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1230
IB/PVV, hypotheekrenteaftrek. Artikel 2.17 en 7.8 Wet IB 2001. Beroep op unierecht (Schumacker-jurisprudentie). Belanghebbende en haar echtgenoot zijn geen fiscaal partner waardoor op grond van de hoofdregel van artikel 2.17, eerste lid, van de Wet IB 2001 de financieringslasten van de eigen woning in aanmerking worden genomen bij degene op wie deze drukken. Op grond van huwelijkse voorwaarden dient belanghebbende bij te dragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding naar rato van haar netto inkomsten. Dat betekent dat belanghebbende in het onderhavige jaar voor 67,6% dient bij te dragen in de rentekosten voor de financiering van de eigen woning. De rechtbank oordeelt dat voornoemde kosten voor 67,6% op belanghebbende drukken en dat zij deze dan ook voor dat percentage in aanmerking kan nemen. Het beroep op het unierecht (Schumacker-jurisprudentie) faalt omdat de echtgenoot voldoende inkomen heeft in België om rekening te kunnen houden met de persoonlijke en gezinssituatie; dat de echtgenoot de aftrek van hypotheekrente wegens de regels in België mogelijk niet kan effectueren doet daaraan niet af (dispariteit).
De uitspraak op rechtspraak.nl