Rb. Zeeland-West-Brabant 31 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5946

IB/PVV, hypotheekrenteaftrek, echtscheiding (art. 2.17, 3.110, 3.111 en 6.3 Wet IB 2001). Belanghebbende en zijn ex-echtgenote waren buiten iedere gemeenschap van goederen gehuwd. De volledige eigendom van de echtelijke woning was gelegen bij de ex-echtgenote. Gedurende het jaar heeft belanghebbende de echtelijke woning verlaten. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote waren daarnaast ieder voor 50% eigenaar van een woning in aanbouw. Op beide woningen rustten hypothecaire geldleningen, waarvoor belanghebbende en zijn ex-echtgenote beide hoofdelijk aansprakelijk waren. Belanghebbende heeft alle rente van de hypothecaire geldleningen voor beide woningen betaald. De inspecteur heeft slechts een deel van de hypotheekrente in aftrek toegelaten. Belanghebbende en zijn ex-echtgenote hebben niet gekozen voor voljaarspartnerschap. De rentekosten worden dan in aanmerking genomen bij degene op wie ze drukken. De rechtbank is van oordeel dat de schuld en de daarmee samenhangende kosten van de voormalige echtelijke woning drukken op het vermogen van de ex-echtgenote. De betaling van de rente door belanghebbende leidt tot een wettelijk verhaalsrecht op zijn ex-echtgenote en hierdoor drukken de rentekosten niet op belanghebbende. Belanghebbende heeft geen recht op renteaftrek met betrekking tot de voormalige echtelijke woning. Voor de woning in aanbouw drukken 50% van de kosten op belanghebbende en dus heeft belanghebbende voor die woning recht op aftrek voor de helft van de betaalde rente. Het betoog dat recht op aftrek bestaat in verband met onderhoudsverplichtingen wordt verworpen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken