Rb. Zeeland-West-Brabant 12 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5623

Bron van inkomen? Artt 6.31 Wet IB 2001 en 7:9 Awb Belanghebbende verricht culturele activiteiten in een voormalige pastorie waar hij en zijn echtgenote ook wonen. De woning is aangemerkt als een monumentenpand. In geschil is of sprake is van een bron van inkomen, of de energiekosten kunnen worden aangemerkt als uitgaven voor monumentenpanden, of de hoorplicht is geschonden doordat geen tweede hoorgesprek heeft plaatsgevonden en of sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een bron van inkomen nu een objectieve voordeelverwachting ontbreekt. De energiekosten moeten worden aangemerkt als huurderlasten zodat deze niet voor aftrek in aanmerking komen als uitgaven voor monumentenpanden. Ook is geen sprake van schending van de hoorplicht nu na het eerste hoorgesprek geen feiten en omstandigheden bekend zijn geworden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn. Verder is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur, gelet op het verloop van de bezwaarprocedure waarbij veelvuldig contact met belanghebbende is geweest en waarbij ook een inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden, voldoende zorgvuldig heeft gehandeld, zowel bij het vaststellen van de aanslag en als bij het doen van uitspraak op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken