Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:265
Art. 3.111, eerste en vierde lid, Wet IB 2001 Belanghebbende was als diplomaat naar verschillende landen uitgezonden en heeft in die periode niet in Nederland gewoond. Er is sprake van een nieuw feit. De enkele omstandigheid dat belanghebbende niet ingeschreven stond in Nederland, maakt het niet onwaarschijnlijk dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn gezin in Nederland en de aangiften juist waren. De woning in Nederland kwalificeert niet als een eigen woning omdat het niet zijn hoofdverblijf was en niet aannemelijk is dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het aandeel in de kosten van de eigen woning van de ex-echtgenote zijn niet aftrekbaar als onderhoudsverplichting omdat belanghebbende niet tot betaling verplicht was op basis van het echtscheidingsconvenant.
De uitspraak op rechtspraak.nl