Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1835

Aan de erven (hierna: belanghebbende) is een aanslag IB 2001 opgelegd waarvoor, na het doen van een schriftelijk verzoek, uitstel van betaling is verleend voor de periode van 10 jaar op grond van artikel 25, zeventiende lid, Invorderingswet 1990. Ruim vier jaar na het van rechtswege vervallen van het verleende uitstel van betaling stuurt de Ontvanger belanghebbende een kennisgeving dat het uitstel van betaling is vervallen. Vrijwel gelijk na deze brief wordt de verschuldigde IB door belanghebbende voldaan. De Ontvanger brengt een bedrag van € 16.429 aan invorderingsrente in rekening bij belanghebbende over de periode vanaf het vervallen van het uitstel tot de dag van betaling. De rechtbank acht dit in strijd met de beleidsregel genoemd in artikel 25.1.6 van de Leidraad Invordering 2008. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur verzetten zich ertegen dat aan belanghebbende invorderingsrente in rekening wordt gebracht. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen