Rb. Zeeland-West-Brabant 19 april 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1704
Art. 6.31 Wet IB 2001. De eigen woning van belanghebbende staat, tezamen met de tuin en enkele andere zelfstandige onderdelen, ingeschreven als rijksmonument. Belanghebbende claimt aftrek voor uitgaven voor onderhoud. De rechtbank oordeelt dat een deel van de kosten voor het onderhoud van de tuin kwalificeren als niet-aftrekbare huurderslasten en bepaalt de hoogte daarvan in goede justitie. De rechtbank acht de tuinmuur een zelfstandig, niet monumentaal, onderdeel waarvan de onderhoudskosten niet aftrekbaar zijn. De kosten voor het onderhoud van de blikseminstallatie zijn aftrekbaar omdat deze installatie, naar het oordeel van de rechtbank, een onzelfstandig onderdeel vormt van het monumentale hoofdgebouw. Dit laatste geldt volgens de rechtbank niet voor de kosten voor het onderhoud van de brandbeveiliging.
De uitspraak op rechtspraak.nl