Rb. Zeeland-West-Brabant 27 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1294
Feit 1: veroordeling wegens artikel 6 WVW 1994. Op 8 december 2016 heeft verdachte een verkeersongeval veroorzaakt, waardoor de bestuurster van een fiets is gedood. De mate van schuld bestaat uit aan een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid doordat verdachte geen voorrang heeft verleend, terwijl de fietsster op een voorrangsfietspad fietste en onvoldoende aandacht heeft geschonken aan het van links komend verkeer, alvorens de kruising op te rijden. Immers heeft verdachte de bestuurster van de fiets in het geheel niet gezien, terwijl zij al enige tijd voor hem zichtbaar moet zijn geweest. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat voornoemd rijgedrag niet aan verdachte kan worden verweten vanwege een geconstateerde neurocognitieve stoornis. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte ten tijde van het verkeersongeval verkeerde in een toestand waarin hij geestelijk niet meer in staat was om naar behoren te functioneren. De bevindingen van de deskundige, die een dergelijke stoornis bij verdachte constateerde 1 jaar en 8 maanden na het ongeval, bevatten voor die conclusie onvoldoende aanwijzingen. Op grond van vorenstaande kan evenmin sprake zijn van bij verdachte bestaande verontschuldigbare onmacht. De rechtbank acht daarom schuld van verdachte aan het verkeersongeval bewezen. Feit 2: vrijspraak. Verdachte heeft verklaard de bestuurster van de fiets in het geheel niet te hebben gezien daarom acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte redelijkerwijs had kunnen weten dan wel vermoeden dat hij een ander in hulpeloze toestand heeft achtergelaten.
De uitspraak op rechtspraak.nl