Rb. Zeeland-West-Brabant 19 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1140

Belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak en heeft, samen met een aantal werknemers, werkzaamheden verricht voor een derde. Naar aanleiding van een boekenonderzoek is aan hem op een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd, alsmede een vergrijpboete. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de feiten en omstandigheden het uitgangspunt van de inspecteur dat sprake is van zwart loon niet onredelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook de geschatte hoogte van het netto loon niet onredelijk is. De correctie heeft derhalve niet naar willekeur plaatsgevonden. Belanghebbende is er vervolgens niet in geslaagd om te doen blijken dat de correctie te hoog is. Met betrekking tot de boete oordeelt de rechtbank dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat te weinig belasting is geheven. De boete voor zover deze ziet op de correctie wordt wel verminderd met 20% omdat de verschuldigde belasting is vastgesteld met omkering van de bewijslast. Voorts wordt de hele boete gematigd met 5% omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken