Rb. Zeeland-West-Brabant 20 december 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:7317
Artikel 36 Invorderingswet 1990, artikel 7, tweede lid, Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990 Belanghebbende, voormalig bestuurder van een stichting die een bakkerij/lunchroom exploiteert, is terecht aansprakelijk gesteld voor onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting. Het beroep is wel gegrond gelet op het nadere standpunt van de ontvanger in beroep. De aansprakelijkstelling voor de boete ter zake van de onbetaald gebleven omzetbelasting wordt verminderd. In de beoordeling van het geschil met betrekking tot de aansprakelijkstellingen gaat de rechtbank achtereenvolgens in op het onderscheid tussen zittend en gewezen bestuurder, de bekendheid van de ontvanger met de financiële problemen bij de stichting, de meldingsplicht bij overdracht van de bestuurstaken, het toetsingskader van artikel 7 Uitvoeringsbesluit Invorderingsweg 1990 op het niveau van het belastingschuldige lichaam en de gevolgen daarvan voor de toelating tot het leveren van tegenbewijs door de (gewezen) bestuurder en, tot slot, de toets van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Met betrekking tot de aansprakelijkstelling voor de boete is de ontvanger met betrekking tot één van de twee boete-onderdelen, anders dan met betrekking tot het belastingdeel, niet geslaagd in het van hem te verlangen bewijs. Voor het overige oordelen omtrent bewijsaanbod en verdedigingsbeginsel.
De uitspraak op rechtspraak.nl