Rb. Zeeland-West-Brabant 16 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5469
Art. 3, eerste lid, art. 17, tweede lid en art. 33, eerste lid, van de Wet MRB; bestelautotarief; inrichtingseisen; naheffing. Tijdens een controle is geconstateerd dat belanghebbende een overkapping met ruiten aan de rechter- en linkerzijde heeft aangebracht op de laadbak van zijn open wagen. De rechtbank oordeelt dat de auto daardoor niet aan de gestelde inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet en ook niet aan de voorwaarden voor toepassing van herstelbeleid, zodat het verschil tussen het bestelautotarief en het personenautotarief terecht is nageheven. De stellingen van belanghebbende dat de overkapping slechts als lading van de open wagen moet worden aangemerkt, dat de auto op de controledatum niet op de openbare weg stond en dat de inspecteur verzuimd heeft te bewijzen dat de auto geen grote bestelauto is, falen. Het beroep van belanghebbende op het Kaderbesluit faalt eveneens omdat het uitgaat van een onjuiste lezing van dat besluit. De boete van € 2.574 wordt in verband met disproportionaliteit ten opzichte van de ernst van het beboetbare feit gematigd tot € 1.500. De rechtbank ziet daarbij een verzachtende omstandigheid in het gegeven dat belanghebbende de overkapping heeft aangebracht in een periode waarin de auto vrijgesteld was van motorrijtuigenbelasting. Toen die vrijstelling jaren later is komen te vervallen, had belanghebbende zich moeten vergewissen of de auto (nog) voldeed aan de inrichtingseisen voor het lage tarief voor bestelauto’s voor ondernemers. Het ten onrechte toepassen van het lage bestelautotarief levert het risico van concurrentieverstoring op.
De uitspraak op rechtspraak.nl