Rb. Zeeland-West-Brabant 26 januari 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:472
Artikel 225 en artikel 253 van de Gemeentewet; parkeerbelasting; bevoegdheid feitelijk bestuurder; geen proceskostenvergoeding ondanks gegrond beroep. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is aan de eigenaar van het voertuig verzonden. Gemachtigde heeft namens belanghebbende bezwaar gemaakt tegen deze naheffingsaanslag. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, vanwege het niet indienen van de gevraagde machtiging van de eigenaar. Pas in beroep meldt de gemachtigde dat belanghebbende de feitelijk parkeerder was. Gelet op artikel 225, lid 3 van de Gemeentewet en het arrest BNB 2000/284 is belanghebbende aan te merken als belastingplichtige en bevoegd bezwaar te maken. Hieruit volgt dat gemachtigde een toereikende schriftelijke machtiging van belanghebbende heeft overgelegd. Beroep gegrond en zaak wordt teruggewezen naar de heffingsambtenaar om opnieuw op het bezwaar te beslissen. De rechtbank oordeelt dat een beroepszaak voorkomen had kunnen worden indien de gemachtigde openheid van zaken had gegeven en kent daarom geen proceskostenvergoeding toe.
De uitspraak op rechtspraak.nl