Rb. Zeeland-West-Brabant 2 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4636
Art. 21, lid 9, SW en art. 10b UB SW; het arrest BNB 2016/234 geldt dienovereenkomstig ook voor art. 10b UB SW. Belanghebbende en zijn broer hebben het recht van erfpacht op een woning geërfd. Voor de erfbelasting is de waarde van het erfpachtrecht o.g.v. art. 21, lid 9 SW en art. 10b UB SW berekend op € 176.000 (de WOZ-waarde minus 17 x de canon). In het jaar van verkrijging zijn het erfpachtrecht en de blote eigendom van de woning tegelijk verkocht aan derden. Belanghebbende en zijn broer hebben daarbij een bedrag van € 110.000 ontvangen voor het erfpachtrecht. Niet in geschil is dat dit de waarde in het economische verkeer is van het erfpachtrecht. De rechtbank is van oordeel dat het arrest BNB 2016/234 (m.b.t. art. 10a UB SW) overeenkomstig van toepassing is m.b.t. art. 10b UB SW. Nu de waarde in het economische verkeer van het erfpachtrecht in betekenende mate afwijkt van de waarde volgens art. 21, lid 9 en art. 10b UB SW, heeft belanghebbende zich terecht op de onverbindendheid van art. 10b UB SW beroepen. De hoogte van de aanslag moet daarom worden verminderd, rekening houdend met een waarde van het erfpachtrecht van € 110.000.
De uitspraak op rechtspraak.nl