Rb. Zeeland-West-Brabant 4 juli 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4156

Merkinbreuk in de zin van artikel 2:20 lid 1 aanhef en onder a BVIE. De vraag of er sprake is van counterfeit is in dat verband niet van belang is. Voldoende is dat komt vast te staan – zoals in het onderhavige geval – dat de door de merkhouder aangesproken derde zonder toestemming van de merkhouder waren in de handel heeft gebracht voorzien van de merken van de merkhouder. Aangezien Sporttrading c.s. zich op het standpunt stelt dat de waren door of met toestemming van de merkhouder binnen de EER in de handel zijn gebracht, rust op haar de bewijslast van de door haar gestelde uitputting van het merkrecht van Converse, tenzij de redelijkheid en billijkheid tot een andere bewijslastverdeling nopen. De rechtbank is tot een andere bewijslastverdeling gekomen en heeft Converse belast met het bewijs van haar stelling dat er sprake is van grootschalige fraude met invoer en verhandeling van Converse schoenen in de EER door een organisatie die legale goederenstromen hergebruikt om daarmee een illegale goederenstromen te maskeren. De rechtbank heeft een deskundigenbericht gelast. Op grond van het deskundigenrapport kan niet worden vastgesteld dat de door Sporttrading c.s. verhandelde schoenen zonder toestemming (of medewerking van een licentiehouder) van Converse zijn geïmporteerd en verder binnen de EER zijn verhandeld. Dat betekent dat het beroep op de uitputtingsregel van art. 2.23 lid 3 BVIE slaagt en er geen sprake is van merkinbreuk. Opheffing van de door Converse c.s. gelegde beslagen. In reconventie is schadevergoeding gevorderd, op te maken bij staat. Volgens de curator zal een in het kader van de schadestaatprocedure in te stellen boekenonderzoek door onafhankelijke door de rechtbank te benoemen deskundigen uitwijzen dat de door Converse c.s. getroffen maatregelen uiteindelijk het faillissement hebben veroorzaakt. Schadestaatprocedure toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen