Rb. Zeeland-West-Brabant 11 juli 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:4093
Navorderingsaanslagen IB/PVV; In geschil is de boxkwalificatie van vergoedingen die door belanghebbende van een BV zijn ontvangen in verband met een door haar aan die BV verstrekte winstdelende lening. Belanghebbende heeft geen bemoeienis gehad met het ontstaan van de structuur waar de BV onderdeel van uitmaakt. Evenmin heeft zij werkzaamheden verricht voor de tot die structuur behorende vennootschappen. Art. 3.91, eerste lid, onderdeel c, Wet IB is daarom niet van toepassing. Belanghebbende heeft zelf geen belangen in de BV. Voor zover de vader van belanghebbende belangen heeft in de BV, is hij niet aan te merken als een met belanghebbende verbonden persoon. Er is daarom ook geen sprake is van terbeschikkingstelling van vermogen in de zin van art. 3.92, eerste lid, Wet IB. Verder is geen sprake van een lucratief belang, omdat belanghebbende zelf geen werkzaamheden heeft verricht voor de BV en de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door de vader verstrekte lening aan de BV een beloning vormt voor de werkzaamheden van de vader. Nu de vergoedingen niet kunnen worden belast in box 1 of box 2, dienen deze (conform de aangifte) te worden belast in box 3. De navorderingsaanslagen IB/PVV en de beschikkingen heffingsrente moeten dan worden vernietigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl