Rb. Zeeland-West-Brabant 25 mei 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3623
Verzoek tot instelling mentorschap afkomstig van betrokkene/rechthebbende zelf. Aanvankelijk wordt voorgesteld een professionele mentor te benoemen. Later (na de eerste mondelinge behandeling) verklaren de meerderjarige dochter en zoon (bij brief) zich alsnog bereid om het mentorschap over hun vader op zich te nemen. Na een tweede mondelinge behandeling benoemt de kantonrechter de dochter en de zoon. Deze benoeming sluit immers aan bij de wettelijke voorkeur (artikel 1:452, lid 4 BW). De kantonrechter legt aan de benoemde familiementoren geen jaarlijkse rapportageplicht op. Feiten die van belang zijn voor het mentorschap en het voortduren hiervan dienen de mentoren op grond van artikel 1:459, lid 3 BW wel terstond aan de (toezichthoudende) kantonrechter mede te delen. Ook geldt de bij wet verplichte evaluatie van de maatregel.
De uitspraak op rechtspraak.nl