Rb. Zeeland-West-Brabant 1 juni 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3330
Art. 1, lid 1-e en lid 2, art. 2, lid 1-b, art. 51, lid 1-b, art. 80 Wet op de accijns; art. 34, lid 1 UB accijns; art. 8 Accijnsrichtlijn; Naar het oordeel van de rechtbank was belanghebbende als schipper betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen (minerale oliën) aan boord van zijn schip, zonder dat daarvoor aan de hand van bescheiden de herkomst kon worden aangetoond. De naheffingsaanslag accijns is daarom terecht aan hem opgelegd. De verzuimboete wordt vernietigd, omdat de gronden daarvoor onvoldoende zijn omschreven ten tijde van het opleggen daarvan.
De uitspraak op rechtspraak.nl