Rb. Zeeland-West-Brabant 22 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1776

inkomstenbelasting; ontslag van instantie; aanmerkelijk belang; fiscale transparantie; afgezonderd particulier vermogen; toerekening vervreemdingsvoordeel; omkering bewijslast. Het verzoek van de inspecteur om ontslag van instantie is afgewezen omdat de belangen van belanghebbende zwaarder wegen dan die van de inspecteur. De beroepen worden daarom in behandeling genomen. Aan belanghebbende is over 2009 en 2010 een navorderingsaanslag respectievelijk een aanslag inkomstenbelasting opgelegd ter zake van aan haar toegerekende voordelen uit vervreemding van een aanmerkelijk belang. De aanslagen zijn tijdig en op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Geen omkering van de bewijslast ook niet voor 2010 nu geen aanmaning tot het doen van aangifte is verstuurd nadat de lopende termijn voor het indienen van de aangifte was verstreken. Belanghebbende is niet de inbrenger van het vermogen in de stichting. De inspecteur heeft voor 2009 niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbendes fiscale partner beschikte over het vermogen van de stichting als ware het zijn eigen vermogen. Voor 2010 heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van fiscaal partnerschap tussen belanghebbende en de inbrenger van het stichtingsvermogen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken