Rb. Zeeland-West-Brabant 20 februari 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1118
verzoek ex art. 4:194a BW – kennis van de schuld? – misbruik van procesbevoegdheid? – geen rechtens te beschermen belang van de schuldeisers. Vijf van de zes erfgenamen, kleinkinderen van erflaatster, hebben zuiver aanvaard wanneer de executeur een brief ontvangt met een vordering op basis van een onderhandse akte van geldlening van bijna 60 jaar geleden (1958). De hoofdsom bedraagt € 10.210 en de rente (6 %) ruim € 309.500. De vordering wordt betwist. Een bodemprocedure is aanhangig. De vijf erfgenamen die zuiver hebben aanvaard vragen machtiging om alsnog beneficiair te aanvaarden. De schuldeiseres stellen dat de schuld in de familie bekend was en gemakkelijk uit de nalatenschap voldaan kan worden. De stelling dat de schuld “in de familie bekend was” en dus ook wel bij de erfgenamen, is te vaag. Nu deze stelling ter zitting niet nader is toegelicht wordt daaraan voorbij gegaan. Ter zitting blijkt dat twee erfgenamen zich benadeeld voelen en de schuldeisers, familieleden, hen via hun gepretendeerde vordering willen compenseren. Het verweer wordt verworpen op de grond dat de schuldeisers geen rechtens te respecteren belang hebben bij een mogelijkheid tot verhaal op privévermogen van de verzoekers. De machtiging wordt verleend.
De uitspraak op rechtspraak.nl