Rb. Zeeland-West-Brabant 16 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:177
Artikel 2 en 33 van de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken – naheffingsaanslag verbruiksbelasting Belanghebbende heeft frisdrank gekocht en deze ingeslagen in haar inrichting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van de Wet (IVV). In het stelsel van de Wet ligt besloten dat teruggaaf van verbruiksbelasting op de voet van artikel 33, eerste lid, onderdeel d, van de Wet wordt verleend tot ten hoogste het bedrag aan belasting dat is voldaan aan de belastingdienst. Nu de rechtbank aannemelijk acht dat de frisdrank afkomstig is uit het buitenland en van daaruit is vervoerd naar de IVV van belanghebbende, is ter zake van die frisdrank geen verbruiksbelasting voldaan. Aangenomen moet worden dat belanghebbende als ervaren marktdeelnemer wist of redelijkerwijs kon weten dat op de momenten waarop zij de frisdrank voorhanden kreeg de onderwerpelijke goederen niet in de heffing van verbruiksbelasting waren of zouden worden betrokken. De inspecteur heeft de teruggevraagde verbruiksbelasting terecht nageheven. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl