Rb. Zeeland-West-Brabant 27 februari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:1156
Jeugdwet. Artikel 2.3. Het college hanteert een jeugdhulpsystematiek waarbij de jeugdige en het gezin waarvan hij/zij deel uitmaakt op basis van een inschatting van hun zorgvraag wordt ingeschaald in een zorgprofiel met een daarbij behorende intensiteit. Nog los van de vraag of in de van toepassing zijnde wet- en regelgeving voldoende grondslag kan worden gevonden voor een werkwijze waarbij indicatiestelling plaatsvindt in de vorm van een zorgprofiel, gaat het bij de beoordeling of een jeugdhulpvoorziening moet worden toegekend om het leveren van (individueel) maatwerk. Het werken met zorgprofielen mag er niet aan in de weg staan om additionele zorg te indiceren indien de objectieve zorgbehoefte van een jeugdige (substantieel) afwijkt van het zorgprofiel dat het best bij hem/haar past. Het onderzoek heeft zich beperkt tot de vraag welk zorgprofiel het meest overeenkomt met de situatie van de jeugdige. Daarnaast biedt het besluit op bezwaar geen inzicht in de aard en omvang van de jeugdhulp waarop op basis van het van toepassing geachte zorgprofiel aanspraak kan worden gemaakt. Hierdoor is niet inzichtelijk dat wordt voorzien in passende jeugdhulp die aansluit bij de zorgbehoefte van de jeugdige en het gezin waarvan hij/zij deel uitmaakt of dat er daarnaast nog additionele zorg is geïndiceerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl