Rb. Zeeland-West-Brabant 14 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5763

Aanvang verjaringstermijn rechtsvordering op grond van art. 2:138 BW. Bij de beoordeling van het verjaringsverweer moet het volgende in aanmerking worden genomen. De eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon moet worden begrepen als daadwerkelijke bekendheid. (Subjectieve) vermoedens zijn ontoereikend. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag volgend op die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Het gaat bij de korte verjaringstermijn om een afweging van de belangen van de benadeelde, die in tijd wordt beperkt in de mogelijkheid schadevergoeding te kunnen krijgen, en die van de (mogelijke) aansprakelijke persoon, die vanwege zijn bewijspositie en/of verzekeringsdekking belang heeft snel te weten of hij zal worden aangesproken. De bij de korte verjaringstermijn aan te leggen beoordelingsmaatstaf mag niet een zodanige zijn dat de benadeelde daardoor op onredelijke wijze een mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen wordt ontnomen. De beoordeling moet plaatsvinden op basis van alle relevante omstandigheden van het geval. De rechtbank beoordeelt in rov. 3.5 t/m 3.5.6 mede in het licht van de memorie van toelichting bij art. 2:138 BW (Tweede Kamer, zitting 1980-1981, 16 631, nr. 3) en het arrest van de Hoge Raad van 30 november 2007 “Blue Tomato” (ECLI:NL:HR:2007:BA6773) op welk moment de verjaringstermijn van de op artikel 2:138 BW gegronde vordering aan aanvang neemt. Naar aanleiding van het standpunt van de curator overweegt de rechtbank in rov 3.5.7. : Het is juist dat artikel 2:138 lid 2 BW geen aansprakelijkheid creëert. Het faciliteert de curator echter wel om aan zijn stelplicht in het kader van artikel 2:138 lid 1 BW te voldoen. Het gaat vervolgens inderdaad om de vraag of het rechtsvermoeden dat dit artikel in het leven roept kan worden weerlegd, door het bestuur. Het gaat er daarbij in eerste instantie om of het bestuur aannemelijk kan maken dat er een andere belangrijke oorzaak voor het faillissement is dan onbehoorlijk bestuur - zijnde onbehoorlijk bestuur over de hele linie, dus in materiële zin - en tevens of het bestuur aannemelijk kan maken dat het bestaan van die eventuele andere oorzaak niet aan het bestuur is te wijten. Pas wanneer het bestuur daarin is geslaagd is het aan de curator om aannemelijk te maken dat ook het onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Pas dan volstaat een beroep op schending van de artikelen 2:394 en/of 2:10 BW niet meer. Uit rov 3.5.6. volgt dat de rechtbank de enkele schending van die artikelen niet voldoende vindt voor het oordeel dat de curator daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Daarvoor is tevens voldoende zekerheid over het causale verband tussen onbehoorlijk bestuur en faillissement nodig. De curator bepleit, onder meer door verwijzing naar de regels van Insolad, dat hij pas een procedure kan, dan wel behoort te starten “zodra hij na deugdelijk onderzoek heeft vastgesteld dat er sprake is van ernstige misstappen van de bestuurders, kortom dat er sprake is van materieel onbehoorlijk bestuur, hetgeen derhalve iets anders en meer is dan het min of meer fictief onbehoorlijk bestuur als gevolg van bijvoorbeeld verzuim van de deponeringsplicht”. Daarmee geeft de curator er blijk van dat hij volgens hem pas een rechtsvordering kan of mag instellen als na onderzoek vaststaat dat hij aan zijn stelplicht in het kader van artikel 2:138 lid 1 BW kan voldoen, daarbij artikel 2:138 lid 2 BW en het daarmee beoogde doel uit het oog verliezend. De vraag op welk tijdstip de curator op grond van regels voor zijn beroepsgroep een procedure mag starten dient te worden onderscheiden van de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn van de rechtsvordering aanvangt. Het antwoord op die laatste vraag wordt gevonden door toepassing van het recht. Daarbij behoort ook het belang van rechtszekerheid voor S. te worden betrokken. Wat betreft de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 5 november 2014 in de zaak “Vilenzo” volstaat de rechtbank met de constatering dat de beoordeling in deze zaak van de curator tegen S. een andere uitkomst heeft dan in de door de curator genoemde zaak.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken