Rb. Zeeland-West-Brabant 26 augustus 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5272

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het doden van haar ex-partner door hem meermalen met een mes te steken, waarvan éénmaal in de buik en driemaal in de hals. Tevens heeft verdachte, samen met een ander, het stoffelijk overschot van het slachtoffer verpakt, vervoerd en in een natuurgebied begraven teneinde het feit van het overlijden te verhelen. De feitelijke toedracht voorafgaand aan het plegen van de doodslag, zoals door verdachte geschetst, acht de rechtbank niet aannemelijk, zodat het daarop gestoelde beroep van de verdediging op noodweer(exces) wordt verworpen. Eveneens wordt het beroep op psychische overmacht ten aanzien van het vervolgens wegmaken van het stoffelijk overschot verworpen. De rechtbank acht beide feiten en ook verdachte strafbaar. Verdachte wordt volledig toerekeningsvatbaar geacht voor de door haar gepleegde feiten. De rechtbank legt verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 jaren op, met aftrek van voorarrest.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken