Rb. Zeeland-West-Brabant 19 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4850
Belanghebbende heeft op 26 november 2013 haar aangifte IB/PVV over het jaar 2012 ingediend. Direct na het ontvangen van de voorlopige teruggaaf, die conform de aangifte was vastgesteld, heeft zij in januari 2014 een tweede aangifte ingediend met een hoger inkomen. Pas in 2015 heeft de inspecteur de definitieve aanslag opgelegd, met belastingrente. Later heeft hij de belastingrente verlaagd. In geschil is de belastingrente. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur de tweede aangifte van belanghebbende moeten aanmerken als een verzoek om herziening van de voorlopige aanslag. Op een dergelijk verzoek dient in beginsel binnen 8 weken te worden beslist. De belastingrente zou dan op grond van artikel 30fb, vijfde lid, AWR zijn berekend over de periode van 1 juli 2013 tot de dag waarop het verschil invorderbaar was ingevolge artikel 9 Invorderingswet 1990. De inspecteur heeft uiteindelijk de belastingrente niet te hoog berekend. Geen vergoeding van wettelijke rente over de teruggaaf belastingrente nu de wettelijke rente minder bedraagt dan het wettelijke minimum van € 10.
De uitspraak op rechtspraak.nl