Rb. Zeeland-West-Brabant 29 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4775
Fictieve dientbetrekking? Gelet op hetgeen is vermeld in de Nota van Toelichting en het gebruik van het woord ‘arbeidsverhouding’ in artikel 2h van het Uitvoeringsbesluit acht de rechtbank het enkele feit dat B werkzaamheden heeft verricht voor belanghebbende onvoldoende voor het aanwezig zijn van een fictieve dienstbetrekking. Er moet immers sprake zijn van een arbeidsverhouding tussen B en belanghebbende, en die is hier niet aanwezig. B heeft de werkzaamheden immers namens de BVBA voor belanghebbende verricht en niet op persoonlijke titel. De verhouding op basis waarvan de werkzaamheden zijn verricht betreft hier die tussen BVBA en belanghebbende. B op zijn beurt heeft de werkzaamheden weliswaar voor belanghebbende verricht, maar dat gebeurt ten behoeve van – in zijn verhouding tot – de BVBA. De rechtbank ziet in het arrest HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU6018, geen aanleiding voor een ander oordeel.
De uitspraak op rechtspraak.nl