Rb. Zeeland-West-Brabant 21 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4550

Belanghebbende was in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij echtscheiding is het leeuwendeel van de pensioenrechten en lijfrenteaanspraken aan de ex-echtgenoot toegerekend. Daar tegenover staat dat de woning aan belanghebbende is toegedeeld. De inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende voor haar onderbedeling met betrekking tot de pensioenrechten en lijfrenten is gecompenseerd door overbedeling van de woning. Zij heeft daarom volgens de inspecteur een uitkering genoten als bedoeld in artikel 3.102, derde lid, van de Wet IB, en wel in het jaar volgend na ondertekening van het echtscheidingsconvenant. Wat betreft de verrekening van pensioenrechten oordeelt de rechtbank dat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de echtgenoten bij echtscheiding de toepassing van de Wet verevening pensioenrechten hebben uitgesloten. In zoverre is artikel 3.102, derde lid, van de Wet IB daarom niet van toepassing. Wat betreft de verrekening van de lijfrenten oordeelt de rechtbank dat artikel 3.102, derde lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB wel van toepassing is. De inspecteur heeft belanghebbende hiervoor terecht belast in het jaar volgend op de ondertekening van het echtscheidingsconvenant. De uitkering is eerst in dat jaar genoten ten gevolge van de levering van de woning.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen