Rb. Zeeland-West-Brabant 18 mei 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4438
kort geding pacht – ontruiming onder opschortende voorwaarde bodemprocedure – geen declaratoire uitspraak in kort geding In 1986 worden pachtcontracten geldig afgesloten. Door eigendomsovergang wordt de verpachter door zijn zoon opgevolgd. De pachter is al in 1993 door zijn zoon opgevolgd met medeweten van de verpachter, maar dat is niet geformaliseerd. In het kader van ruilverkaveling verzoekt de zoon van pachter om de pacht op zijn naam te stellen. Dat is niet mogelijk en de vader wordt ingeschreven als pachter van de nieuwe percelen volgens het ruilplan. De verpachter zendt de zoon van pachter een contract voor geliberaliseerde pacht, maar deze wenst een reguliere pacht voor de nieuwe percelen. De zoon van pachter neemt deze in gebruik. In kort geding vordert de verpachter de ontruiming van de percelen. In reconventie vordert de zoon van pachter voor recht te verklaren, althans schriftelijke vastlegging van een reguliere pacht. Aannemelijk is dat de verpachter heeft ingestemd met de opvolging van de zoon als pachter. Deze heeft zijn rechten nog niet verspeeld, omdat hij passief is gebleven. Daarom wordt hem een laatste kans geboden. Onder de opschortende voorwaarde dat de zoon van pachter binnen vier weken een bodemprocedure tot schriftelijke vastlegging van de pacht aanhangig zal maken, wordt hij veroordeeld tot ontruiming. Omdat in kort geding geen declaratoire uitspraak wordt geven, wordt zijn tegenvordering afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl