Rb. Zeeland-West-Brabant 25 februari 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1436
Verweten gedraging betreft snelheidsovertreding met (beweerdelijk) verhuurd voertuig, Op grond van de inhoud van het zaakoverzicht is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende komen vast te staan dat de verweten gedraging is verricht. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 8 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een limitatieve opsomming van uitzonderingsgronden op de aansprakelijkheid van de kentekenhouder genoemd is. In artikel 8 Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften is opgenomen: De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven: • a. aannemelijk maakt dat tegen zijn wil door een ander van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen gebruik is gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen, • b. een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was, dan wel • c. een vrijwaringsbewijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Kentekenreglement, of een verklaring als bedoeld in de artikelen 31 tot en met 33 van het Kentekenreglement, overlegt waaruit blijkt dat hij ten tijde van de gedraging geen eigenaar of houder meer was van het betrokken motorrijtuig onderscheidenlijk de betrokken aanhangwagen. De kantonrechter is van oordeel dat uit het dossier voldoende is gebleken dat betrokkene de kentekenhouder van de aanhangwagen met kenteken 12-WB-KB is. Dit is door betrokkene niet betwist. Betrokkene heeft gesteld dat er sprake is van een verhuursituatie als vermeld in artikel 8 onder B van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften. Van deze situatie is uitsluitend sprake indien een kentekenhouder middels bewijzen aan kan tonen dat het voertuig voor een periode korter dan drie maanden verhuurd was ten tijde van de gedraging. Uit het te leveren bewijs dient te blijken dat de kentekenhouder zelf het voertuig verhuurd heeft. Het bewijs vermeldt bovendien de correcte gegevens van het verhuurde voertuig, de correcte gegevens van de huurder, de periode van de verhuur en de handtekening van de huurder. Middels deze stukken moet het Openbaar Ministerie in de gelegenheid worden gesteld de bestuurder van het voertuig te achterhalen. In casu heeft betrokkene een ongetekende huurovereenkomst overgelegd waaruit blijkt dat het voertuig verhuurd is door Borent Zwolle. Uit de huurovereenkomst en de toelichting van gemachtigde op de handelwijze van betrokkene is vast komen te staan dat betrokkene zelf niet de verhuurder van het voertuig was. Nu er geen sprake van directe verhuur door betrokkene zelf is, kan slechts vastgesteld worden dat er sprake is van op zijn minst onderverhuur waardoor het beroep op de eerder genoemde uitzonderingsgrond niet slaagt.
De uitspraak op rechtspraak.nl