Rb. Zeeland-West-Brabant 12 februari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:872

Overdrachtsbelasting De Hoge Raad heeft geoordeeld dat aan belanghebbende ter zake van drie onroerendgoedtransacties ten onrechte een naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd. De inspecteur heeft vervolgens na het arrest van de Hoge Raad en binnen de naheffingstermijn van artikel 20, derde lid, AWR een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd. Op het aanslagbiljet staat geen tijdvak vermeld. De rechtbank ziet geen aanleiding tot vernietiging van de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting, omdat de inspecteur voorafgaand aan de naheffingsaanslag een brief heeft gestuurd waarin de naheffingsaanslag gemotiveerd en met vermelding van een berekening van het na te heffen bedrag is aangekondigd. Daarmee was het voor belanghebbende direct duidelijk met betrekking tot welke belastbare feiten de naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de naheffingsaanslag niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel is opgelegd. De inspecteur heeft niet getalmd, nu hij eerst de uitkomst van de procedure inzake de omzetbelasting heeft willen afwachten. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding tot vermindering van de beschikking heffingsrente.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken