Rb. Zeeland-West-Brabant 23 december 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8609
Homologatie akkoord in schuldsaneringsregeling. Faillissementsrecht. Ingevolge artikel 338 jo 153 lid 2 Fw moet het akkoord worden geweigerd als de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk te boven gaan. Daarnaast biedt artikel 153 lid 3 Fw de rechtbank de mogelijkheid op andere gronden alsook ambtshalve de homologatie te weigeren. Wat de eerstgenoemde weigerings¬grond betreft, zal bij de beoordeling van de homologatie moeten worden vergeleken enerzijds het bedrag dat schuldeisers ingevolge het akkoord wordt uitgekeerd en anderzijds het bedrag dat zij bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling naar verwachting zullen ontvangen. Hierbij dienen onder "de baten des boedels" als bedoeld in artikel 153 lid 2 aanhef en onder 1 Fw niet slechts te worden begrepen de ten tijde van de aanbieding van het akkoord aanwezige baten, maar tevens de baten die bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling nog te verwachten zijn. De rechtbank oordeelt dat hoewel schuldenares ernstig is tekortgeschoten in haar sollicitatieplicht zij, teneinde min of meer hetzelfde bedrag voor de boedel te kunnen verwerven dan het bedrag dat in het kader van het akkoord wordt aangeboden, gedurende de looptijd aanmerkelijk meer moet verdienen dan haar huidige inkomsten. Gelet hierop alsmede haar geringe kansen op de arbeidsmarkt acht de rechtbank het onvoldoende aannemelijk dat de baten van de boedel, de som, bij het akkoord bedongen, aanmerkelijk te boven zouden gaan, indien schuldenares zich wel aan haar sollicitatieplicht had gehouden. Daarnaast overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat schuldenares nog over andere bronnen van inkomsten bezit dan haar huidige dienstverband.
De uitspraak op rechtspraak.nl