Rb. Zeeland-West-Brabant 23 december 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8608

Weigering homologatie akkoord in schuldsaneringsregeling. Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling. Faillissementsrecht. Ingevolge artikel 338 jo 153 lid 2 Fw moet het akkoord worden geweigerd als de baten van de boedel de bij het akkoord bedongen som aanmerkelijk te boven gaan. Daarnaast biedt artikel 153 lid 3 Fw de rechtbank de mogelijkheid op andere gronden alsook ambtshalve de homologatie te weigeren. Wat de eerstgenoemde weigerings¬grond betreft, zal bij de beoordeling van de homologatie moeten worden vergeleken enerzijds het bedrag dat schuldeisers ingevolge het akkoord wordt uitgekeerd en anderzijds het bedrag dat zij bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling naar verwachting zullen ontvangen. Hierbij dienen onder "de baten des boedels" als bedoeld in artikel 153 lid 2 aanhef en onder 1 Fw niet slechts te worden begrepen de ten tijde van de aanbieding van het akkoord aanwezige baten, maar tevens de baten die bij voortzetting van de schuldsaneringsregeling nog te verwachten zijn. De rechtbank overweegt dat schuldenaar onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de te verwachten baten des boedels zijn, waardoor de rechtbank niet kan beoordelen of deze baten de som, bij het akkoord bedongen, al dan niet aanmerkelijk te boven gaan. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van schuldenaar had gelegen om maximale transparantie te betrachten omtrent zijn vermogen en inkomsten uit zijn onderneming. Waar dit niet is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat de wijze waarop het aangeboden akkoord tot stand is gekomen als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. De rechtbank weigert de homologatie van het akkoord. Ingevolge artikel 338, derde lid, Fw brengt dit mee dat de schuldsaneringsregeling van schuldenaar wordt voortgezet, tenzij er redenen zijn om deze regeling te beëindigen op grond van artikel 350 Fw. De rechtbank is van oordeel dat schuldenaar structureel is tekortgeschoten in zijn (kern)verplichtingen uit hoofde van de schuldsaneringsregeling. Feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat deze tekortkomingen niet aan schuldenaar kunnen worden toegerekend, zijn door hem gesteld noch gebleken. De rechtbank eindigt dan ook de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c en d Fw.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen