Rb. Zeeland-West-Brabant 22 januari 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:494
Belanghebbende moest drastisch bezuinigen en heeft daarom besloten te reorganiseren. Op grond van het gesloten sociaal statuut was het volgens belanghebbende niet mogelijk om daarbij het afspiegelingsbeginsel te hanteren. De rechtbank is van oordeel dat voor belanghebbende sprake is van een draconische heffing, maar dat gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad niet anders geoordeeld kan worden dat sprake is van een regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in artikel 32ba, zesde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964. Het betreft immers een regeling die voorziet in uitkeringen tot het moment van het bereiken van de AOW-leeftijd, waarvan enkel werknemers van 57 jaar of ouder gebruik kunnen maken. Het doel en de intentie van belanghebbende bij invoering van de regeling doet daar niet aan af.
De uitspraak op rechtspraak.nl