Rb. Zeeland-West-Brabant 21 april 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:3290
Artikel 6:2, aanhef onder b, van de Awb. Belanghebbende heeft in het onderhavige geval het voorblad van de aangifte ingediend met daarbij een brief waarin hij toelicht waarom er naar zijn mening geen sprake is van belasting- en premieplicht in Nederland. De inspecteur is van mening dat geen sprake is van een aangifte in de zin van de wet en hij in dit geval geen aanslag hoeft op te leggen. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de door belanghebbende ingediende stukken niet verwerkt kunnen worden door de systemen van de Belastingdienst, er niet aan af doet dat hier sprake is van een aangifte in de zin van artikel 8 van de AWR. Het gevolg is dat de inspecteur een aanslag had op moeten leggen. Nu de aanslag niet binnen de wettelijke termijn is vastgesteld, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is dan gegrond en de rechtbank draagt de inspecteur op om alsnog een aanslag op te leggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl