Rb. Zeeland-West-Brabant 22 oktober 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:7176
Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling. Beroep van de verdediging op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, nu het overgangsrecht van de huidige VI-regeling, artikel VI lid 1 - waarbij de datum van veroordeling en niet de pleegdatum als ijkpunt wordt genomen - in strijd zou zin met het verbod op terugwerkende kracht ex artikel 1 Sr en artikel 7 EVRM. De verdediging heeft daarbij verwezen naar het arrest van de Grote Kamer van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak (naam) tegen Spanje (EHRM 31 oktober 2013, nr. 42750/09). De rechtbank verwerpt dit verweer. De rechtbank komt tot de slotsom dat de in de artikelen 15 tot en met 15l Sr vervatte VI-regeling betrekking heeft op de executie van een opgelegde straf. De invoering van deze regeling kan dus niet worden aangemerkt als een verandering van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging. Gelet hierop en tevens in aanmerking genomen dat de toepassing van de VI als zodanig geen wijziging brengt in de aard, reikwijdte en maximale duur van de straf, kan niet worden gezegd dat de overgangsbepaling van artikel VI, eerste lid, onder het bereik valt en in strijd is met het legaliteitsbeginsel en nulla poena-beginsel, zoals vervat in artikel 1 Sr en 7 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat er geen kader is en/of voorwaarden zijn waardoor het recidiverisico bij een voorwaardelijke invrijheidstelling van veroordeelde voldoende kan worden ingeperkt en wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe voor de duur van één jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl