Rb. Zeeland-West-Brabant 16 oktober 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:7103
Oplichting via Marktplaats. Valse hoedanigheid. Veroordeling wegens 206 oplichtingen tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
parketnummer: 12/705923-10
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 oktober 2014
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Middelburg,
locatie “Torentijd”, Torentijdweg 1, 4337 PE Middelburg,
raadsman mr. M. van Dam, advocaat te ’s-Hertogenbosch.
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 7 april 2014, 8 april 2014,
11 september 2014, waarbij de officier van justitie mr. R.C.P. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is op 2 oktober 2014 gesloten.
2 De tenlastelegging
Verdachte staat terecht ter zake van de feiten die nader zijn omschreven in de dagvaarding, met bijgevoegde en daarvan deel uitmakende teksten van de tenlastelegging onder feiten 1 en 2, die als bijlage 1 aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn ingelast. Ter zitting van 7 april 2014 is de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig de vordering wijziging tenlastelegging die als bijlage 2 aan dit vonnis is gehecht en waarvan de inhoud wordt geacht hier te zijn ingelast.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 (in alle 222 te onderscheiden gevallen) en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, in die zin, dat verdachte die feiten alleen heeft gepleegd. Volgens de officier van justitie kan de verklaring van verdachte ter zitting “dat hij nooit normale handel heeft bedreven” als een volledige bekentenis ter zake van alle feiten worden beschouwd, omdat er in het dossier geen aanwijzingen zijn die duiden op reguliere handel door verdachte en verdachte bovendien op een aantal momenten, zowel tegenover de politie, tijdens het onderzoek ter zitting als in het Pieter Baan Centrum (PBC), aantoonbaar ongeloofwaardig over zijn gedragingen heeft verklaard. Deze vaststellingen, in combinatie met de inhoud van de aangiften van de feiten, het bewijs dat de ten laste gelegde bankrekeningen ten name van verdachte zijn gesteld, de bijschrijvingen op die bankrekeningen en de geldopnames van die rekeningen, terwijl verdachte er geen aangifte van heeft gedaan dat iemand anders die rekeningen zou hebben gebruikt, de normale eigennamen die hij heeft gebruikt voor zijn handel, met e-mailadressen die daarbij pasten en waarbij hij namen van slachtoffers van het ene feit gebruikte bij de oplichtingen in de andere zaken, kunnen, gelet op dezelfde modus operandi bij de feiten als schakelbewijs dienen voor de bewezen verklaring van alle ten laste gelegde feiten. In lijn van de overwegingen van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn uitspraak van 23 januari 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:121) is in juridische zin sprake van strafbare oplichtingen. Aan de verdediging kan worden toegegeven dat de handel via Marktplaats.nl extra alertheid vraagt van degenen die via die website goederen willen aanschaffen en dat zij de daarbij behorende risico’s in beginsel moeten aanvaarden, maar daartegenover staat dat, waar vast staat dat verdachte welbewust misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van aangevers en zich over hun rug heeft verrijkt, verdachte de verantwoordelijkheid van zijn gedragingen niet kan afwentelen op de lichtgelovigheid of onzorgvuldigheid van de aangevers onder het motto: “Don’t blame the victim”.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft op gronden die nader in zijn pleitnotities zijn genoemd primair tot integrale vrijspraak bepleit omdat de ten laste gelegde feiten op grond van de heersende jurisprudentie niet als oplichting als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht te bewijzen zijn. Subsidiair heeft hij deelvrijspraken van de feiten onder aangiftenummers 7, 41, 52, 57, 78, 85-102, 121, 183 en 200 van het onder 1 ten laste gelegde bepleit. Ook acht hij onvoldoende bewijs aanwezig dat verdachte de ten laste gelegde feiten samen met een ander heeft gepleegd.
De stelling van de officier van justitie dat verdachte de feiten integraal heeft erkend door te verklaren “dat hij nooit normale handel heeft bedreven” gaat volgens de raadsman niet op. Weliswaar erkent verdachte schuld aan de feiten, maar dit geldt alleen voor zover de bankrekeningen aan hem te koppelen zijn en bovendien vast staat dat hij via die rekeningen heeft gehandeld. In het geval verdachte een bankrekening als één van zijn eigen bankrekeningen herkent, maar de namen van aangevers niet herkent kan er sprake zijn van oplichting. Als verdachte een bankrekening echter niet herkent als een door hem geopende rekening kan er geen sprake zijn van een door hem gepleegde oplichting als niet vaststaat dat die bankrekening door hem is gebruikt. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de naam van verdachte bekend is via de website ‘oplichters op internet’ en dat er volgens verdachte ook een kopie van zijn paspoort in omloop is. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat anderen misbruik hebben gemaakt van die gegevens.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl