Rb. Zeeland-West-Brabant 17 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:5022
De stiefkinderen hadden op 1 januari 2012 (peildatum) een niet opeisbare vordering op belanghebbende (de langstlevende). Medio 2012 werd de helft van voormelde vordering opeisbaar en het restant medio 2013. Belanghebbende stelt dat de defiscalisering niet geldt voor voormelde vorderingen en de daarmee corresponderende schulden, omdat de vordering al vóór het overlijden van belanghebbende opeisbaar is. Volgens belanghebbende kan zij daarom op peildatum de schulden aan de stiefkinderen op haar vermogen in aftrek brengen. De rechtbank overweegt dat naar de letter van de wet voornoemde vordering en de daarmee corresponderende schulden op peildatum niet tot de grondslag sparen en beleggen behoren. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat pas vanaf het moment dat de vordering opeisbaar wordt, de defiscalisering niet meer geldt. Het gelijk is aan de inspecteur.
De uitspraak op rechtspraak.nl