Rb. Zeeland-West-Brabant 11 maart 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:1643
Beslissing kantonrechter op verzoek tot wijziging/omzetting beschermingsbewind in een ondercuratelestelling. Ter zitting heeft de kantonrechter uitgebreid stilgestaan bij de uitgangspunten van de wet. In die zin dat hij benadrukt dat de toe te passen wettelijke beschermingsmaatregel passend dient te zijn en dat -waar mogelijk- de zelfredzaamheid van betrokkene dient te worden bevorderd. Uitgangspunt van ons burgerlijk recht is immers de zelfbeschikking van de individu. De kantonrechter dient bij zijn toetsing tijdens de instellingszitting de meest passende wettelijke beschermingsmaatregel op te leggen. De wet bevat hiervoor de instrumenten van curatele, beschermingsbewind en/of mentorschap. Deze instrumenten dienen niet verder in te grijpen dan noodzakelijk. Naar het oordeel van de kantonrechter is het handhaven van het beschermingsbewind en het instellen van een mentorschap de meest passende bescherming voor rechthebbende met dien verstande dat de kantonrechter wel zal bepalen dat deze uitspraak op grond van artikel 3:391 BW door de griffier zal worden ingeschreven in het openbare Centrale Curatele- en Bewindsregister (CCBR). Door deze inschrijving geniet rechthebbende de extra bescherming die uit deze inschrijving voortvloeit.
De uitspraak op rechtspraak.nl