Rb. Zeeland-West-Brabant 5 juni 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:CA2701
Flitskrediet. Toepasselijkheid van de op 25 mei 2011 aan het Burgerlijk Wetboek toegevoegde titel 2A van boek 7 en de per 25 mei 2011 gewijzigde Wet op het Consumentenkrediet. Samenvatting: Tussen partijen is via de website van eiseres een overeenkomst tot stand gekomen uit hoofde waarvan eiseres aan gedaagde een bedrag van € 150,00 heeft geleend. Deze overeenkomst is gesloten na 25 mei 2011 en te kwalificeren als een kredietovereenkomst ex artikel 7:57 BW en een krediettransactie ex artikel 1 WCK. Daarom is in beginsel de per 25 mei 2011 ingevoerde c.q. gewijzigde wetgeving van toepassing. Nu het krediet binnen drie maanden diende te worden terugbetaald, brengt artikel 7:58 lid 2 sub e BW mee dat de overeenkomst niet onder de reikwijdte van titel 2A van boek 7 BW valt, indien slechts onbetekenende kosten worden aangerekend. Met verwijzing naar de Parlementaire geschiedenis is de kantonrechter van oordeel dat bij een kredietverstrekking, waarbij op het kredietbedrag van € 150,00 met een looptijd van maximaal 21 dagen een bedrag van € 25,00 wordt aangerekend, niet slechts onbetekenende kosten in rekening worden gebracht. Het bepaalde in artikel 2 lid 2 WCK leidt, in geval van een looptijd van minder dan drie maanden, er toe dat de reikwijdte van de WCK wordt beperkt, in die zin dat uitsluitend de artikelen 34 tot en met 36 van toepassing zijn, waaronder bepalingen omtrent de ten hoogste toegelaten kredietvergoeding. Onder kredietvergoeding vallen alle beloningen en vergoedingen die de kredietgever in rekening brengt, waaronder ook kosten van bereidstelling. De gevorderde kredietvergoeding van 16,67% per 21 dagen overschrijdt in zeer ruime mate het toegestane kredietvergoedingspercentage van 16% per jaar, en is daarmee verboden. Geen aanleiding voor conversie.
De uitspraak op rechtspraak.nl