Rb. Zeeland-West-Brabant 4 juni 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:CA2540

Veroordeling op grond van artikel 6 WVW en artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de WVW. Verdachte is over het slachtoffer, dat reeds op de weg lag, heengereden. Hij is daarna doorgereden en heeft zich de volgende morgen gemeld bij de politie. Verdachte bleek volgens een bloedonderzoek alcohol en drugs te hebben genuttigd. Nu verdachte heeft gesteld ook na het ongeval te hebben gedronken en drugs te hebben gebruikt, heeft het NFI diverse scenario’s onderzocht. De rechtbank heeft geconcludeerd, op grond van de geschetste scenario’s, dat bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van het ongeval in ieder geval onder invloed van MDMA en amfetamine was. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij het slachtoffer in hulpeloze toestand heeft achtergelaten. Door de verdediging is betoogd dat niet vast te stellen is of het slachtoffer onmiddellijk na de aanrijding of pas enige tijd daarna is overleden, zodat dit feit niet kan worden bewezen. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b van de WVW 1994 aan de orde is, aansluiting gezocht bij de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer vergaderjaar 1990-1001, Kamerstuk 22030, nr. 3, blz. 69 e.v.). Het is volgens de Memorie van Toelichting in geen enkel geval verantwoord de gewonde aan zijn lot over te laten. Er is een plicht om een ander bij te staan indien hij ten gevolge van een ongeval ernstig is gewond. Gelet op voornoemde ratio van de wetsbepaling en het feit dat verdachte is doorgereden en zich niet om het slachtoffer heeft bekommerd, is de rechtbank van oordeel dat het in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer bewezen kan worden. Dat niet bekend is of het slachtoffer onmiddellijk na de aanrijding is overleden of korte tijd daarna, maakt dit niet anders nu verdachte volgens de bepaling de plicht had zich om het slachtoffer te bekommeren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen