Rb. Zeeland-West-Brabant 10 december 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:9166

Erfrecht. Verzet tegen de rekening en verantwoording ex artikel 4:218 lid 3 BW. Twee erfgenamen hebben, afzonderlijk van elkaar, verzet ingesteld tegen de door de vereffenaar ter inzage gelegde rekening en verantwoording in de nalatenschap van hun moeder. De kantonrechter acht het verzet van beide partijen in zoverre gegrond dat hij met hen van oordeel is dat de thans ingediende rekening en verantwoording te summier is. De vereffenaar zal, na te gelde making van de goederen, dan ook een meer uitgebreide rekening en verantwoording ter inzage dienen te leggen waarbij de kantonrechter de aanwijzing geeft dat deze zal dienen aan te vangen met de (opbrengst van de verkochte) goederen, banksaldi en dergelijke. Voorts dient de rekening en verantwoording al hetgeen de vereffenaar als zodanig voor de nalatenschap heeft ontvangen en uitgegeven, te vermelden. Voorts dient ook te worden vermeld welke schuldeisers er zijn en weke vorderingen zij hebben op de nalatenschap, de enkele opmerking dat de schuldeisers niet kunnen worden voldaan is onvoldoende. Met betrekking tot de vorderingen die beide partijen stellen te hebben is de kantonrechter van oordeel dat deze door hen beide onvoldoende is onderbouwd zodat deze vorderingen niet te hoeven worden opgenomen op te nieuwe ter inzage te leggen rekening en verantwoording en uitdelingslijst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen