Rb. Zeeland-West-Brabant 20 november 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:8803
Weigering handhavend op te treden tegen luchtvaartmaatschappij o.g.v. Wet luchtvaart. Verzoek om compensatie o.g.v. Verordening (EG) Nr. 261/2004 vanwege vertraging is door de luchtvaartmaatschappij afgewezen, wat heeft geleid tot een handhavingsverzoek o.g.v. de Wet luchtvaart. Niet gebleken van buitengewone omstandigheden op grond waarvan er geen sprake was van een compensatieplicht. Staatssecretaris dus bevoegd en in beginsel ook verplicht om handhavend op te treden. Civiele vervaltermijn a.b.i. art. 8:1835 van het BW leidt niet tot verval van de (bestuursrechtelijke) handhavingsbevoegd¬heid. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de staatssecretaris van handhavend optreden heeft mogen afzien. Weliswaar is tweejarentermijn a.b.i. art. 8:1835 van het BW verstreken, maar de rechtbank is er niet van overtuigd dat een bestuursrechtelijke handhavingsactie dan niet meer succesvol kan zijn. Geen sprake van onaanvaardbare doorkruising van het civiele recht. Tijdsverloop geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de staatssecretaris van handhavend optreden heeft mogen afzien. De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat de staatssecretaris met de gevolgde procedure bij eisers gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Beroep gegrond en besluit vernietigd. Zelf in de zaak voorzien met opdracht aan staatssecretaris om een last onder bestuursdwang aan de luchtvaartmaatschappij op te leggen strekkende tot het betalen van compensatie aan eisers à € 600,=.
De uitspraak op rechtspraak.nl